Stuwwallen behoren tot de geologisch meest interessante gebieden in Noordwest-Europa en zijn sterke getuigen van het ijsgeweld in glaciale tijden. Hun vorm en samenstelling zegt veel over het ontstaan van het landschap en ze vormen met hun heuvels, dalen en vergezichten een boeiend wandelgebied.
Stuwwallen zijn heuvelruggen in het landschap, die bestaan uit door landijs plaatselijk opgestuwde sedimentaire en dus zachte ondergrond. Opstuwing gebeurt dus niet als de ondergrond uit harde gesteenten bestaat, in dat geval sedimenteert de gletsjer alleen maar slijpsel op de harde ondergrond in de vorm van zij- en eindmorenen zoals in de Alpen. De voortschuivende gletsjertongen, die hier nog enkele honderden meters dik moeten zijn geweest, stuwden aan de voorkant en aan de flanken de bevroren bodem op tot (soms ver) over de 100 meter en vormden daarmee een serie stuwwallen. In afbeelding 6 is dit proces schematisch weergegeven.
Een dubbele ijslob, die werd voortgestuwd door het schuivende ijs uit het IJsseldal, vormde de tongbekkens van Kranenburg in Duitsland en van het ten zuidoosten van Nijmegen gelegen Groesbeek. Door het gewicht en de schurende werking van de meer dan 200 meter dikke ijslobben ontstonden diepten in het landschap. De relatief zachte bodem werd weggedrukt en vormde zo stuwwallen rond de beide tongbekkens. Samen kregen deze de vorm van een W (beter is een ω), (NL-01 en NL-05), zie afbeelding 7.
Beide bekkens hadden oorspronkelijk diepten tot tientallen meters beneden het huidige niveau. Na het terugtrekken van het gletsjerijs zijn ze met spoelzand van de stuwwal en sedimenten van de Rijn opgevuld tot het huidige niveau.
Afbeelding 8 geeft een impressie hoe dit proces midden-Nederland modelleerde.
De oorspronkelijke rivierkleilagen vormden een soort glijmiddel waarmee de aardlagen gemakkelijker over elkaar konden schuiven. Na het ontdooien van de bevroren grond is de bovenkant van de stuwwallen afgevlakt door neerslag en door winderosie, maar in het inwendige ervan zijn de scheef geplaatste lagen behouden gebleven. Deze situatie is nu op aarde bijna niet meer waar te nemen, een uitzondering is o.a. de Thompson Gletsjer in Canada, zoals te zien in afbeelding 9. Dit is een recente foto en geeft een enigszins vergelijkbaar beeld van de opstuwing.
Op plaatsen waar vroeger zand of grind is gewonnen, zijn de schuine lagen vaak nog zichtbaar. Langs het geopad Molenhoek-Mookerheide (NL-01) ligt een oude zandgroeve waarin voor de geopadwandelaars een steilwand met herkenbare scheefgestelde lagen is gemaakt, al zijn de scheefgestelde lagen steeds minder goed zichtbaar . Een informatiepaneel bij de groeve geeft uitleg over het stuwingsproces.
De sedimentstructurele en glaciotektonische verschijnselen uit het Midden-Saalien zijn uitgebreid onderzocht in groeve “de Zandberg” bij Mook. Afbeelding 10, uit een uitgave van de Grenssteen van “Stichting de Heemkundekring de Grenssteen Mook-Middelaar-Molenhoek”, toont de groeve eind jaren vijftig van de vorige eeuw.
Toen de gletsjers zich teruggetrokken, bleef een gebied achter met heuvels van ruim 100 meter hoog. Smeltwater sleet in de (deels nog) bevroren ondergrond van de hellingen diepe dalen uit. Verwering en erosie door weer en wind heeft de heuvels in tienduizenden jaren afgesleten tot het huidige heuvellandschap.